Zondag 15 september 2019

 

Lezing 1 Samuel 17                             

                       

Zeven zonen hadden mijn ouders. Zeven, een prachtig rond getal, en als je in de Bijbel gelooft ook een heilig getal. Ik ben de oudste. We hadden een mooi gezin. Maar ja, toen bleek dat mijn moeder toch nog een keer zwanger werd. Of het ongelukje was of gepland? Ik weet het niet. Over dat soort dingen praten wij thuis niet. Maar er kwam een achtste. Ook weer een jongen.
Een mooie ventje. Dat zag je vanaf het eerste moment. Niet groot of sterk, maar tenger, met leuk rossig haar. Soms was het wat lang en leek hij bijna een meisje. Wij, zijn broers, hebben er wel eens mee gepest. Maar nooit echt gemeen. Want als ik eerlijk ben: we houden van hem. Hij is het nakomertje. Lieveling van ons allemaal.
Heb ik trouwens al gezegd wie ik ben? Ik ben Eliab. De oudste van het stel. En ik heb het over mijn broertje David. Een paar maanden geleden hebben we met elkaar iets raars meegemaakt. De profeet Samuel kwam naar ons gezin omdat hij van God de opdracht had één van ons te zalven. Samuel kwam meteen naar mij toe. Niet zo gek. Ik ben groot en zoals gezegd de oudste. Maar God zei tegen Samuel dat ik het niet was. Mijn andere broers waren het ook niet. Tenslotte werd David bij de schapen vandaan gehaald. Hij kreeg de olie over zijn hoofd.
Nou, ik weet het niet hoor. Ik denk toch dat die profeet niet goed naar God geluisterd heeft. Heel eerlijk: ik ben dol op mijn lieve broertje. Hij is zacht en lief. Hij speelt op zijn harp, zorgt voor de schapen … maar dat zijn toch niet de kwaliteiten en talenten waarmee je carrière kan maken? Met een harp word je geen leider en wat kan je in de maatschappij nu bereiken met een steen en een slinger? Wij hebben zwaarden, paarden, een speer. Jullie hebben mitrailleurs, bommen, vliegtuigen. In beide gevallen is een herdersjongen kansloos. Toch?
Ik vraag me trouwens af wat David hier komt doen. Van moeder moest hij ons eten brengen. Nou prima. Maar nu begint hij zich ook al te bemoeien met de grote mensen-dingen. Bij ons is dat de oorlog tegen de Filistijnen. Alsof hij daar verstand van heeft. En steeds maar praten over de God van hemel en aarde. Dat die sterker is dan alles en iedereen. Laat-ie nou maar zijn mond houden. Ja, natuurlijk geloof ik ook wel in God. Maar eigenlijk doe ik dat alleen op zondag. Op maandag en de andere dagen van de week gelden er andere regels. Dan moet ik zorgen dat ik goede cijfers haal. Dan moet ik de beste zijn. Dan moet ik zorgen dat ik win.
Waar haalt mijn kleine broertje dat vertrouwen trouwens vandaan? Ik geef toe … ik ben soms wel wat jaloers op hem. Zoals hij geliefd is, en mooi en vol geloof in God. Maar aan de andere kant, wat heb je aan dat alles? Als je een beetje realistisch bent, dan ga je niet ongewapend de strijd aan. Je zorgt dat je jezelf beschermt. Met een harnas van ijzer of anders een schild van geld of een dure auto, of diploma’s, of een grote mond. Zo’n schild beschermt je tegen beledigingen en vernederingen van andere mensen. Niemand kan je raken. Niemand doet je pijn.
Ach die David. Soms ben ik jaloers op hem, en ik erger me.
Maar heel diep in mijn hart maak ik me zorgen.
Ik ben bang.

GOLIAT WORDT OMHOOG GETROKKEN

Goliath 2.jpg

Straks gaat die kleine broer van me de wereld in. Gaat de strijd aan, zeg maar. Maar wat nou als hij jongens tegenkomt die drugs verkopen? Wat nou als hij het in de stad niet trekt? Zo kwetsbaar als David zich opstelt, zo open, zonder masker, zonder schild. De andere mensen zullen vast misbruik van hem maken. En dan dat geloof, dat volle vertrouwen op de levende God … Zijn collega’s in het bedrijf, de spelers van het voetbalteam zullen hem uitlachen.
Ik maak me zorgen. Ik ben bang,
Bang dat David vertrapt zal worden. Eén haal en er blijft niets van hem over.
Tsjonge jonge, wat een immens figuur die Goliat. Groot en griezelig. Onverslaanbaar. Voor mij en de andere soldaten. Zeker voor David.
Gek, hè. Ik praatte net over mijn zorgen over David. Dat ik zo bang was voor mijn jongste broer. En hoe meer ik praatte over die kleine man, hoe groter Goliat werd. Eerst was Goliat gewoon een iets, een iemand om bang voor te zijn. Maar hoe meer ik piekerde, en me zorgen maakte, en hoe meer ik nadacht dat David nog zo jong en kwetsbaar was, hoe groter Goliat werd. Hij groeide uit tot een onverslaanbare reus.
Hebben jullie dat ook wel eens? Dat je niet een beetje bang bent, maar reusachtig bang? Over je nieuwe school of dat je geen vrienden kunt vinden of dat andere kinderen je uitlachen. Of dat iets je niet lukt. Of erger: dat je ouders misschien gaan scheiden of je oma doodgaat of dat er straks geen drinkwater meer is, omdat het op aarde steeds warmer wordt en droger. Of dat Gramsbergen niet blijft zoals het altijd geweest is. Of dat de kerk verdwijnt of ….
Er zijn zo veel dingen waar we bang voor kunnen zijn. En vaak is dat ook terecht. Maar soms worden die dingen in je hoofd steeds groter. Reusachtig groot. Bijna onwerkelijk groot.
En zo praten we samen over bang zijn. En dat onze zorgen soms reusachtig groot kunnen worden. Daar is de reus. En we kijken er nu allemaal naar. Wat een aandacht krijgt Goliat. En dat in een kerk die niet gebouwd is op angst, maar op vertrouwen. En op de kracht van liefde. Mijn kleine broertje David snapt dat, beter dan wie ook. Ja, hij is de jongste van ons gezin. Maar hij weet het beste van ons allemaal dat de levende God sterker is dan alle reuzen bij elkaar.
Hoor ik hem nou zingen?

Al moet ik door een doodsravijn….
U gaat steeds aan mijn zij.
Ik vrees geen kwaad, uw herdersstaf
Geeft steun en veiligheid

DE REUS GOLIAT ZAKT IN ELKAAR

In de kerk zien we de reuzen van ons leven in de ogen, maar daarna zingen we over God van leven en liefde. En we zingen tot de God van leven en liefde. Want hij is sterker, waardevoller en machtiger dan elke reus. Laten we op hem vertrouwen.

Amen