Doopdienst op 30 juni 2019

 

Lezing Lucas 9, 51-62                              

                       

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

In het leven van Toniët en Michel Feddes is een wonder gebeurd. Terwijl de dokters er bijna van overtuigd waren dat er geen kinderen meer konden komen, is er toch een dochter geboren. De baby heet Zoë. Leven betekent dat. Een geweldige naam voor een prachtig kind, zeker als je als ouders zelf ervaren hebt hoe onvanzelfsprekend ‘leven’ eigenlijk is, hoe snel het ook fout kan gaan en ziekte onverwacht je bestaan totaal op zijn kop kan zetten. Maar laten we deze moeilijkheden op deze zondag niet voorop stellen. Laten we blij zijn. Toniët en Feddes hebben een kind.

Hoor ik mezelf goed? Zeg ik ‘hebben…?’ Menig ouder zal bevestigen dat er van ‘hebben’ geen sprake kan zijn, laat staan van houden. Al vanaf het moment dat een kind de buik van moeder verlaat is het bezig zich los te maken én zijn de ouders bezig hun kind los te láten. De eerste stapjes, de eerste schooldag, de eerste baan. Steeds verder ga je als mens van de baarmoeder vandaan. Want zo zijn we blijkbaar bedoeld. Om vrij te zijn en open Gods toekomst tegemoet te gaan. Maar diep in ons binnenste zit ook nog iets anders. Namelijk een verlangen om te blijven bij dat wat was, om te houden wat je hebt en je vast te klampen aan wie en wat wij waren.

Misschien is de neiging tot ‘hebben en houden’ ook wel de reden waarom de woorden van Jezus mij vandaag nogal onaangenaam in de oren klinken. Misschien bij u ook wel. Hij vraagt vandaag ook nogal wat van zijn volgelingen en het is de vraag of wij daar wel trek in hebben. Ja, okee, Jezus volgen. Dat is ons geleerd. Dat is ook goed. We willen het ook. Maar nu lijkt het er bijna op alsof bij Jezus huis en haard volkomen onbelangrijk zijn, alsof het niet goed zou zijn als je je vader begraaft. Het lijkt alsof bij Jezus elke gehechtheid aan familie en traditie er niet toe doen. Zulke radicaliteit stuit tegen de borst en geeft mij althans bijna een onveilig gevoel. Deze radicaliteit doet mij ook denken aan religieuze groepen en leiders die deze teksten nogal letterlijk opvatten. Zij eisen van hun leden dat zij zich helemaal lossnijden van waar ze vandaan komen. Ze mogen geen contact meer opnemen met hun ouders, moeten al hun geld aan de gemeenschap geven, worden geacht hun vriendschappen op te geven, om…

Ja, met welk doel vraagt men dat eigenlijk? Het lijkt erop dat sektes met hun uitleg van deze woorden van Jezus de leden naar binnen willen trekken, in hun organisatie, in hun systeem. Ze willen de mensen hebben en houden. En zo wordt toch sterk de indruk gewekt dat ze hun leden tóch weer opnieuw gevangen zetten. En dat terwijl het Jezus hier – net als op andere plekken in het evangelie – gaat om het koninkrijk van de God die bevrijdt. Al vanaf het allereerste begin wil God ons wegleiden, bevrijden, uit Egypte, uit de handen van verkeerde machten en krachten, uit de zonde, uit de dood.

Nee, een puur letterlijke uitleg van onze moeilijke tekst kán gewoonweg niet Jezus’ bedoeling zijn. Maar wat dan wel? Wat heeft Jezus dan wel met ons voor? Waartoe roep hij Zoë en Toniët en Michel en Vince en u en jij en mij?
Terug naar Jezus’ woorden volgens de evangelist Lucas. Wat daaraan zo lastig is, is dat Jezus vooral zegt wat niet Gods bedoeling is. Daardoor krijgen zijn woorden een negatieve klank. Dit mag niet, en dat is niet juist. Als je zo doet ben je niet geschikt voor het koninkrijk. Je zou bijna stoppen met lezen…

En toch. Ergens roepen Jezus’ woorden ook verlangen bij me op. Naar echtheid, en liefde, naar vrijheid, een volkomen leven in Gods nabijheid. Want dat is waar het om gaat als Jezus spreekt over Gods koninkrijk.

En om dit koninkrijk te betreden, om er binnen te komen, zullen we een andere werkelijkheid moeten verlaten of los moeten laten. Zoals de werkelijkheid waarin we andere mensen veroordelen. Jezus’ leerlingen hebben er nogal een handje van. Met hun belerende vinger gedragen ze zich als de beste leerling van de klas. Er doet zich een vervelende situatie voor. Jezus wordt door sommige mensen niet gastvrij ontvangen. En nu stellen deze brave hendriken hun meester voor om God te bidden dat hij deze ongastvrije mensen straft met vuur. Slechte mensen verdienen immers niet beter… Lekker puh. Maar Jezus wil niets van wraak weten. Zeker niet van wraak door mensen. Worden zoals God ons bedoelt, zijn koninkrijk betreden, is dus het land van oordeel en wraak verlaten.
En dan zegt Jezus: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben hun nesten. Maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen’. Blijkbaar zegt Jezus dit niet alleen over zichzelf, maar ook over wie hem wil volgen. Blijkbaar is ons ware thuis niet Gramsbergen of ons gezin van herkomst. Of de kerk zoals ie altijd geweest is. Ons ware thuis is God. Híj is ons schild. Hij geeft ons bescherming. Hij is onze woonplaats, de plek waar we echt kunnen zijn zoals we bedoeld zijn.

Dat betekent niet dat we nu meteen in een doos moeten gaan slapen en de Boomhofkerk moeten verkopen. Het betekent wél dat Jezus’ nogal strenge oproep eigenlijk bedoeld is als een bevrijding. Klamp je niet vast. Kom los van je angst. En wees vrij. Echt vrij.

En dan de reactie van Jezus op de volgeling die eerst zijn vader wil begraven. Jezus zegt: laat de doden de doden begraven. Nogal cru. Maar er staat niet dat de vader al gestorven is. Misschien dat het ooit een keer zou kunnen gebeuren. En tot die tijd wil deze volgeling zich nog niet aan Gods vrijheid en genade overgeven. Ik denk dat Jezus doelt op mensen die eerst alles voor elkaar willen hebben voordat ze zich misschien, heel misschien overgeven aan Gods liefde. Eerst het examen halen. Eerst het huis aan kant. Eerst mijn pensioen halen of voldoende geld op de bank. Eerst nog even dit. Eerst nog even dat. Pas als ik mijn bureau aan kant heb, mijn eigen doelen heb behaald, dan…ja misschien kan ik mij dan wel op God gaan richten. Maar zo komt er nooit een einde aan de eindeloze reeks taken en verplichtingen die nog op je liggen te wachten. Nee, nu al, vandaag. Dus midden in je leven kan je je omkeren en gaan leven als een koningskind. Als een kind van God dat uitgenodigd is in het koninkrijk van Gods overvloed, liefde en vrijheid.

De vraag om eerst afscheid te nemen van je huisgenoten pareert Jezus met de opmerking dat je als je het land bewerkt met de ploeg beter niet achterom kan kijken. Alleen als je vooruit kijkt, trek je rechte voren. Het klinkt superlogisch. En toch…het blijft lastig om niet vooral te kijken naar dat wat er achter je ligt. De familie en de streek waar je vandaan komt, hoe de dingen altijd gegaan zijn. Ja, natuurlijk is Zoë kind van haar ouders. En wij zijn ook kind van onze ouders. Natuurlijk ben je inwoner van Gramsbergen, man of vrouw, rijk of minder rijk, slim of iets minder slim. Maar in de allereerste plaats zijn we een kind van God de Vader. En vanuit de toekomst roept hij naar ons: leef, en leef vanuit mij. Dat ben je niet meer gebonden, maar vrij.

Die vrijheid wordt Zoe vandaag in de doop aangezegd. God zegt met de doop: jij bent mijn kind. Ik zeg ja tegen jou. Later als ze groter is, mag ze dit ja beamen. Ook wij mogen dit ja beamen. Vandaag in een luid en duidelijk ja. Maar ook morgen en alle dagen die nog komen. Opdat we leven!

amen